Kleuren die aan je trekken

Gemeentemuseum Den Haag

Jaren geleden zag ik bij toeval een doek van Rothko. In de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Ik weet niet meer wat ik die dag verder heb gezien. Alleen dat we met zijn vieren al op weg naar de uitgang waren en ik terugliep om nog een keer te kijken. Het doek trok me als het ware terug…..

Sommige mensen beginnen bij het zien van zijn werk zelfs te huilen. Ook al vloeien er bij mij geen tranen, ik word wel geraakt door de enorme kleurvlakken. Wat is dat toch met die doeken van Rothko?

Kleuren die leven en beven
Ik begrijp het zelf ook niet zo goed, maar het lijkt net of die kleurvlakken ademen en bewegen. Sommige doeken zijn opgebouwd uit wel 42 lagen verf! Je ogen blijven over de kleurvlekken dwalen en erin verdwalen. De doeken houden me een soort van gevangen en beïnvloeden mijn stemming van dat moment.

Een doek met een één groot wit vlak en één fel oranje lijkt wel haast op te lichten. Ik voel mezelf vrolijker worden terwijl ik ernaar kijk. Net als wanneer ik de citrusgeur in het parfum Happy van Clinique opsnuif.

Een ander werk is veel donkerder met een brede baan lila-paars boven een nog groter blok zwart. Toch is het geheel niet zwaar. Dat komt door de blauwgrijze ondergrond en sinaasappel-oranje in een rafelrandje aan de onderkant en als een zweempje in het paars. Het heeft iets speels net als een muziekstuk waarin hoge en lage tonen elkaar afwisselen. Dit werk is een van mijn favorieten. En niet alleen die van mij zie ik later op de cover van de catalogus. Het was me eerder niet opgevallen op het affiche.

Als ik voor een kobaltblauw doek sta, geeft het me een klap in het gezicht. De klaprozen balken aan weerszijden trillen in mijn ooghoeken als duizenden LED-lampjes in lichtreclames. Even ben ik uit het lood geslagen door de knalkleuren. Alsof ik zelf een blauw oog en een bloedneus ben geslagen.

Bij de schetsen voor de ‘Seagram Murals’ in New York hangen twee enorme doeken als een soort tegengestelden van elkaar. De ene is diep donkerbruin met een bijna zwart vierkant erin en de de andere is bijna gitzwart met een donkerbruin vierkant. Als ik het zo opschrijf lijkt het heel doods. Maar niets is minder waar. Ook deze doeken vibreren, lijken te leven. Ik blijf steeds van de ene naar de andere kijken en weer terug.

Een werk met oranje op kastanjebruin straalt iets warms, behaaglijks en knus uit als een knapperend haardvuur in een houten blokhut in de Rocky Mountains. Voor de deur liggen oranje pompoenen in een dik roodbruin bladerdek.

De X-factor
Met mijn verstand kan ik er niet bij, maar Rothko zijn doeken hebben dus een enorme aantrekkingskracht op mij. Normaal ben ik na ongeveer anderhalf uur kunst kijken wel verzadigd. Maar voor de solo-tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag heb ik extra tijd uitgetrokken. Vervolgens moet en zal ik tot de laatste minuut blijven kijken. Naast mij staat een vrouw die al voor de vierde keer komt kijken. Voor mij is het de eerste keer dat ik per se voor de tweede keer naar een tentoonstelling wil. Hoe heeft die Rothko het toch gepresteerd?

Beelden met body

Pantorkrator, Cathedral Santa Maria Assunta in Pisa, Italy. by Cimabue 1302

Pantokrator, Cimabue, 1302

In mijn vorige blog over de ontwikkeling van de christelijke kunst stopte onze reis met de opkomst van de bedevaartsoorden zoals Santiago de Compostella halverwege de 12e eeuw.

In diezelfde tijd beginnen de driedimensionale beelden voorzichtig terug te komen. Beelden die de christenen eerder hadden verboden. Het voornaamste doel is nog steeds: onderwijzen en waarschuwen. Eerst is het nog een bijna plat basreliëf, daarna wordt het een sculptuur die nog half deel van de gevel of pijler uitmaakt en later letterlijk los komt van de architectuur. Ook krijgen de beelden steeds meer volume, natuurlijke houdingen en een echter eigen gezicht. Jezus Christus wordt vaak afgebeeld als Majestus Domini in een amandelvormige aureool – de zogeheten mandorla.

God is licht
In de 13e eeuw vindt Abt Suger: ‘God is licht’. Hij brengt licht, pracht en praal in de kerk om de gelovigen het licht van God te laten ervaren. Hij laat de Romaanse St. Dennis aan de binnenkant verbouwen met Gotische kenmerken, waaronder spitsbogen en prachtig gekleurde roosvensters. Hiermee gaat hij tegen de bestaande conventies in van belangrijke hoofden van kloosterordes, zoals Bernardus van Clairveaux die juist de Romaanse bouw propageren vanwege de soberheid en eenvoud.

In dezelfde eeuw deelt de Italiaanse franciscaanse theoloog Bonaventura (1217/18 – 1274) de mening dat de afbeeldingen niet alleen voor de analfabeten bestemd zijn. De afbeeldingen dienen volgens hem ook als geheugensteun en voor het opwekken van devotie. Als je beelden van de lijdensweg van Christus ziet, kun je meer in het verhaal opgaan dan door het alleen maar te horen.

De bewening van Christus, Giotto, 1304-1313, Scrovegni kapel, Padua

De bewening van Christus, Giotto, 1304-1313

Realistischer in de renaissance
Rond ca. 1300 schildert Giotto di Bondone als eerste twee wenende personen, op de rug gezien in De bewening van Christus. Ook bij de andere fresco’s in de Scrovegni-kapel schildert hij de mensen zoals die normaal ook in een kring om iemand heen staan. Hierdoor worden de voorstellingen realistischer voor de toeschouwer. Wat in deze nieuwe compositie wel heel raar lijkt, zijn de aureolen die bij de mensen op de rug gezien als een soort plaat voor hun kop zweeft. Bij de beeltenissen van de deugden en ondeugden slaagt hij erin een beeld op het platte vlak als driedimensionaal over te laten komen. Zo vertellen alle fresco’s in de Srovegni-kapel heel gedetailleerd en levendig het christelijke verhaal en de leefregels. Niet voor niets schrijft Julian Bell in zijn boek Spiegel van de wereld (2008) dat Giotto ‘nadien is erkend als de grondlegger van de westerse schilderkunst’.

Kunstenaars na Giotto vervolgen de weg die hij in de Italiaanse renaissance is ingeslagen om het verhaal nog overtuigender en geloofwaardiger te maken. De kunstenaars spelen met het perspectief en het weergeven van de omgeving. Later proberen ze ook meer echte emoties uit te beelden.

Middel wordt doel
Waar de natuur of gebeurtenis zo echt mogelijk verbeelden eerst het middel was om het verhaal over te brengen wordt dit rond 1400 een doel op zich. Er vindt een verschuiving plaats van de Kerk als voornaamste opdrachtgever naar de rijke burgers en de hoven. Zo laat Catharina van Kleef een heel duur getijdenboek (een gebedenboek dat de tijden van de dag volgt) decoreren met familiewapens en afbeeldingen van zichzelf dicht bij Maria.

Uomo universalis en il divino
Halverwege de 15e eeuw verschijnt Leonardo da Vinci (1452-1519) op het toneel als een allround wetenschapper. De uomo universalis is zeer geïnteresseerd in de anatomie van het menselijk lichaam. Hij laat in zijn werk Laatste avondmaal (1495-1498) een perfecte balans zien tussen de bijna verstilde Jezus Christus in het midden en de dynamische groep eromheen. De mensen vertellen met hun levensechte houding en echte gebaren het verhaal.

Laatste oordeel (detail),, Michelangelo, 1534-1541, Sixtijnse Kapel Rome

Laatste oordeel (detail),, Michelangelo, 1534-1541

Michelangelo (1475-1564) gaat nog een stap verder. De kunstbiograaf Giorgo Vasari (1511-1574) noemt Michelangelo (1475-1564) zelfs helemaal het summum – ‘il divino’. Zijn verbeelding van de schepping van de aarde (oude testament) op het plafond in de Sixtijnse kapel in Rome is inderdaad fantastisch hemels. Alleen de mannen op zijn voorstelling van het laatste oordeel op de altaarmuur staan er wel heel gespierd op. Zelfs de vrouwen staan erop als uit de kluiten gewassen bodybuilders met geboetseerde borsten.

Zo verbeeldt ´il divino´ uiteindelijk de niet te verbeelden godheid als een aardse mensheid in de hemel. En is hij voor veel kunstenaars na hem een lichtend voorbeeld.

_________________________________________________________________________

Ik heb deze blog geschreven als gastblogger op de website van Kunsthistorische Leergangen Utrecht.

Bronnen: Spiegel van de wereld, Julian Bell, 2008, Wikipedia.nl,
Cursus Inleiding kunstgeschiedenis, Hanneke Leenders – KLU  

Mysterieus

Abbey among oak trees, Caspar David Friedrich, 1809/1810

Abbey among oak trees, Caspar David Friedrich, 1809/1810

Dit schilderij ademt voor mij mysterie uit. De warme, gelige gloed van de zon die net onder is of gaat. De donkere gedaanten die bijna eender lijken met de weggezakte grafzerken en kruizen. 

De kleine kruisbeelden steken amper boven de dikke deken van sneeuw uit. Het lijken mij tenminste kruisbeelden. Ze doen me denken aan de kruisbeelden die je veel in Zuid-Limburg tijdens het wandelen tegenkomt. De kale eiken staan er ondanks hun kaalheid statig en bijna sierlijk bij. Tegelijk verwacht ik elk moment een kraai die krijsend de stilte verbreekt.

Al wat rest van de abdij is één stukje muur met een raam dat meer kapot is dan heel. Stukjes lood hangen er zielig naar beneden. Dit beeld roept een herinnering bij me op aan een de ruïne van een oud klooster in Schotland. In een klein bootje in de mist vaarden we ernaartoe. Met zijn tweeën op het onbewoonde eiland waanden we ons alleen met de geesten van de vroegere bewoners. We beeldden ons in hoe ze hier hadden geleefd, waar ze hadden geslapen, gegeten en gebeden.

Het tafereel op dit schilderij heeft ook iets kalms, iets rustgevends. Door het gat in de muur voeren de monniken de overledene in stilte weg naar de laatste rustplaats. Naar gene zijde. Daardoor sta ik zelf weer even stil bij de vergankelijkheid van het leven. Eens ga je allemaal. Niemand is onsterfelijk.

Die mysterieuze sfeer ademen bijna alle schilderijen uit die ik van Caspar David Friedrich ken. Die sfeer trekt me aan en geeft me tegelijkertijd een wat ongemakkelijk gevoel.

Bron foto: Wikimedia Commons

Uitsloverij

Bronsttijd Het Nationale Park De Hoge Veluwe

Zonder gene naar geile mannetjes kijken? Dat kan in Het Nationale Park De Hoge Veluwe. Elk jaar in september is het feest op de Veluwe. Het hele jaar kijken de mannetjes er naar uit om een maand lang helemaal los te gaan. Nou ja, losgaan? Ze sloven zich een maand lang uit om een paar vrouwtjes te veroveren voor luttele seconden….

To see or not to see?
Nadat we met zestig man in een zaaltje naar de introductiefilm over de bronsttijd hadden gekeken, gingen we in drie groepen uit elkaar. Onze gids deed meteen even aan verwachtingsmanagement: het blijft de natuur en die laat zich niet voorspellen. Dus voor hetzelfde geld zouden we niets zien. Waren we daarvoor uren onderweg geweest? Toen we bij de kijkershut aankwamen, moesten we onze mobiele telefoon op stil zetten en mochten we niet flitsen. Tot onze verbazing mochten we wel zachtjes praten. De herten zijn al zo aan mensen gewend dat ze daarvan niet meer schrikken. Hoezo wild? Waar ze wel van schrikken is een hand die ineens tussen de houten planken van de hut doorsteekt. Dus handjes binnenboord!

We hadden mazzel. Vlak voor onze neus stond een roedel met jawel, een mannetje erbij. En uitsloven dat die zich deed. Om de vrouwtjes heen drentelen en er met zijn tong uit zijn bek achteraan lopen om hun geur op te snuiven. Zo ruikt ie wanneer een vrouwtje tochtig is en klaar voor de daad. Dat is maar 36 uur per jaar en dan wil je er wel bij zijn. Dus er werd heel wat af gesnoven. Als een dame van de roedel weg dreigde te lopen ging ie er ook meteen achteraan.

Axe-effect
De vrouwtjes willen ook wat. Dus nam ie een lekker piesbad. Eerst tegen zijn eigen buik aan sprietsen en vervolgens in het zand rollen zodat ie all over his body was geparfumeerd. Een soort Axe-effect! Je moet het maar lekker vinden. Een hinde – een vrouwelijk hert – kennelijk wel.

Daar word je stil van
Maar het meest indrukwekkend van allemaal was wel het burlen. Als dat hert zijn kop in zijn nek gooit en zijn keel wagenwijd openzet. Wat een oerkreten die dat beest uitstoot. Kippenvel krijg je ervan. Brrrr! Het lijkt wel een soort hees geloei van een koe, maar dan veel harder, zwaarder en galmender. Het heeft ook wel iets van een misthoorn. Telkens als het hert zijn keel open gooide, hield de gids zijn mond. Dan waren we allemaal muisstil. Dat burlen doen ze trouwens om de vrouwtjes te imponeren en andere mannetjes te intimideren.

Fightclub
Een paar keer dachten we dat er nog een andere kaper op de kust was. Dan gaat het erom wie het sterkste is en vechten ze tot ze er letterlijk bij neervallen. Dat schijnt helemaal een spektakel te zijn: die enorme geweien die om elkaar heen draaien en tegen elkaar aan kletsen.

Volgend jaar wil ik weer, en dan met een beter fototoestel!

Kolkende wolken

Rolling skye, Chiron Pieterson, 1977

Rolling skye, Chiron Pieterson, 1977

Prachtig deze kolkende wolken. Je blijft maar ronddraaien in dit beeld zonder begin- of eindpunt. Draaien totdat het je duizelt. Dit schilderij heet Rolling skye, rollende lucht dus. Ik heb een zwak voor luchten. Vooral voor wolkenluchten. Ademloos kan ik naar de lucht staren. Figuren zien in de wolken die van vorm veranderen, wegdromen in de wolken die voorbij drijven. In de trein, op een terras, tijdens een wandeling…. 

Saaie luchten
Maarten van Rossum vertelde laatst bij Kunstuur in het Mauritshuis in Den Haag ook dat hij dol is op de Nederlandse wolkenluchten. De strakblauwe luchten in Zuid-Europa vond hij maar saai. Ik ben het volmondig met hem eens. Hoewel ik misschien nog wel verliefder ben op de dramatische wolkenluchten in Schotland. De prachtige dreigende regenwolken boven de bergen of een loch waar een straaltje zon doorheen probeert te dringen. Magisch!

Lekkere luchten
Bij de expositie LUCHT! in De Hallen in Haarlem kan ik mijn hart ophalen. Onverzadigbaar loop ik van de ene naar de andere lucht. De kleurrijke herfstluchten van Leo Gestel en Jan Sluijters omarmen me als ik ervoor sta. De warme oktoberzon straalt in stippen en strepen over het landschap en geeft alles een warme gloed. De onheilspellende luchten op het schilderij Gezicht op een stad van Carel Willink intrigeren me. Dit schilderij heet niet voor niets ook wel Naderend onheil. In de catalogus van de tentoonstelling LUCHT! lees ik dat de term ‘Willinkluchten’ zelfs een begrip is geworden. Ik raak maar niet uitgekeken op de ´oude´ Hollandse polderlandschappen met koeien en op de woeste zeegezichten uit de 19e eeuw. Een schilderij van Jacob Maris uit 1877 heeft de veelzeggende titel Wolk effekt.  Natuurlijk mag ook Hendrik W. Mesdag hier niet ontbreken die je waarschijnlijk wel kent van Panorama Mesdag.

Uitvinder van de lucht als thema
Wel ben ik teleurgesteld dat Gezicht op Haarlem met bleekvelden (1665) van Jacob van Ruisdael niet bij deze tentoonstelling hangt. Dat is echt een topper met een enorm wit wolkendek en daaronder de zon die de witte lakens op de grond streelt - de skyline van Haarlem op de achtergrond. Van Ruisdael wordt ook wel de ´uitvinder´ van de lucht als thema in de kunst gezien. Jammer dat ik die nu niet hier zie, maar dan heb ik wel weer een goede reden om binnenkort naar het Mauritshuis in Den Haag te gaan…

Bron: Catalogus LUCHT! in de Nederlandse kunst sinds 1850, Frans Hals Museum en De Hallen Haarlem

Allesbehalve saai

Stilleven met vergulde bokaal, 1635

Stilleven met vergulde bokaal, Willem Claesz. Heda, 1635

Stillevens vond ik altijd zo saai. Zo stil… Totdat ik bij een rondleiding in het Rijksmuseum meegevoerd werd naar dit stilleven van Willem Claesz. Heda. De rondleidster liet me met andere ogen naar dit schilderij kijken.

Ze voerde onze blik over het gesteven tafellinnen langs de zilveren schaal die speelt met de zwaartekracht door net niet te vallen. Onze blik gleed verder langs de glibberig glanzende oesters die eruit zien of ze pas uit de zee komen. Verder naar het groene glas waarin een raam weerspiegelt. Ze vertelde dat het glas met de bolletjes aan de voet een roemer heet. Die bolletjes zijn trouwens geen misbaksels van de glasblazer. Deze zijn bewust aangebracht zodat het glas niet uit de vette vingers zou glijden. Zou nu ook nog best handig zijn bij fingerfood of spareribs.

Pronken met je waren
Hans den Hartog Jager schrijft in zijn boek Dit is Nederland in tachtig meesterwerken dat stillevens aan het begin van de 17e eeuw niet erg in trek waren. Historiestukken met woeste gevechten, portretten en landschappen waren veel populairder. Maar toen de welvaart toenam veranderde dat. Hoe kan je nu beter je rijkdom showen dan met een rijkelijk gedekte tafel met zilverwerk en luxe etenswaren? Met een rijk banket én een eeuwig houdbare reproductie daarvan aan de wand.

Verstilde schoonheid
Zoals op veel stillevens ontbreekt ook hier de gekrulde citroenschil niet. In glas-en zilverwerk, schillen of overrijpe vruchten kon de kunstenaar naast de schoonheid en vergankelijkheid van het leven ook zijn eigen vakmanschap laten zien. Het is inderdaad knap werk om de illusie van een gedekte tafel te wekken met louter verf op een plat vlak. Ik doe het hem in elk geval niet na. De luttele pogingen die ik heb gedaan zijn faliekant mislukt…

Bronnen: Rijksmuseum.nl, Dit is Nederland in tachtig meesterwerken, Hans den Hartog Jager

 

Nog meer heilige verhalen

Wie is die met pijlen doorboorde man die daar met slechts een rode lendendoek aan de boom hangt? Jezus hangt toch altijd aan een kruis? Wie is die zwart-wit geklede non die half voor zich uitstaart en naar de grond wijst? Staan er nou muizen op de papierrol die ze in haar hand houdt? Jakkes!

En wie is die bebaarde man met het kindje op zijn schouder? Dat lijkt wel het kindje Jezus met een glazen bol met kruis in zijn hand.

Rechter paneel Lockhorst drieluik, Jan van Scorel, 1526-1527

Rechter paneel Lockhorst drieluik, Jan van Scorel, 1526-1527

Eerder beschreef ik het ontstaan van het Lockhorst drieluik en welke Bijbelse taferelen en figuren zich op het linkerpaneel en het middelste deel van het drieluik afspelen. Het zal je waarschijnlijk niet meer verbazen dat ook op het rechter paneel weer drie heiligen staan. Maar welke dan? Al zoekend leer ik welke heiligen het zijn en waarom: Sebastiaan, Gertrudis van Nijvel en Christoforus.

Compleet doorzeefd maar niet uitgeleefd
In dit schilderij zie je eigenlijk meerdere versies van het martelaarschap van Sint-Sebastiaan samengebracht. Het verhaal gaat dat Sebastiaan in de 3e eeuw na Christus op het Marsveld door Romeinse soldaten is doorboord met pijlen. Wonder boven wonder overleefde hij de pijlen. Volgens een ander verhaal zou hij naakt zijn vastgebonden aan een boom of paal. Ook dat zou hij hebben overleefd. Pas de derde keer was het raak toen hij werd doodgeknuppeld in het Circus van Rome. Vervolgens hebben ze hem als oud vuil in het riool Cloaca Maxima gegooid. Lekker dan!

Uit het slijk
Een heilige dame – de ene zegt Lucina, anderen zeggen Irene – viste zijn resten uit de drek, waste hem schoon en gaf hem alsnog een eervolle rustplaats in de catacomben aan de Via Appia bij de toenmalige apostelbasiliek. Later is op deze plek de basiliek van ‘Sint-Sebastiaan buiten de Muren’ gebouwd. Gezien de verhalen over zijn doorboring verbaast het me niets dat hij later beschermheilige werd voor onder andere de (boog-)schutters, soldaten en jagers.

Dochter van een heilige
Gertrudis van Nijvel (626-659) was de dochter van de heilige Ida van Nijvel. Het christelijke geloof is haar dus letterlijk met de paplepel ingegoten. Hoe kan een heilige trouwens kinderen krijgen? Het antwoord vind ik in de verklaring dat haar moeder de abdij van Nijvel pas in 1640 stichtte nadat ze weduwe was geworden. Haar dochter Gertrudis schijnt al op jonge leeftijd voor God te hebben gekozen. Toen een prins haar ten huwelijk vroeg was haar antwoord:  “Ik heb als bruidegom gekozen de eeuwige schoonheid die de oorsprong is van de schoonheid van alle schepselen. Hij die oneindig veel rijkdommen bezit en door de engelen wordt aanbeden.” Toe maar!

Al op 20-jarige leeftijd werd ze abdis, de vrouwelijke leider van de abdij. Ze bad en studeerde veel in de Heilige Schrift. Daarnaast stichtte ze veel kerken om de heiligen te eren. Ze leefde in grote armoede en gaf alles wat ze had aan de armen, weduwen en wezen. Door het vele vasten en waken was ze zodanig verzwakt dat ze al op 33-jarige leeftijd stierf.

Wat had Gertrudis dan met muizen?
Volgens de legende kampte Nijvel met een muizen- en rattenplaag. Geen gif, val of kat hielp om van de plaag af te komen. Uiteindelijk besloten de inwoners van Nijvel naar het klooster te gaan voor hulp. Tot ieders verbazing renden de muizen en ratten de stad uit toen Gertrudis begon te bidden. Daarmee waren ze van het ongedierte bevrijd. Op de site van de IKON lees ik dat de muis het symbool van de afweer van het kwaad is. Volgens een andere uitleg staat de muis symbool voor een ziel van een overledene die bij Gertrudis langsgaat om zegen te krijgen voor de reis naar het hiernamaals. Zou Jan van Scorel de muizen en ratten op de banderol hebben afgebeeld voor zijn eigen reis naar gene zijde? Of voor die van zijn opdrachtgever meneer Lockhorst?

Jezus op de schouders
De man helemaal rechts heet Christoffel of Christoforus wat Christusdrager betekent. Het is dus inderdaad het kindje Jezus op zijn schouders. Volgens een van de legendes op Wikipedia wilde ene Reprobus zijn diensten alleen aanbieden aan het hoogste gezag. ´Eerst trad hij in dienst bij de koning, die echter bang bleek te zijn voor de keizer. Hij trad in dienst bij de keizer, maar die was bang voor de duivel . Toen bood hij zijn diensten aan aan de duivel. De duivel was echter bang voor Christus en Reprobus besloot Christus te gaan dienen. Dat deed hij, op advies van een kluizenaar, door mensen op zijn brede rug een rivier over te dragen. Op zekere dag moest hij een klein kind de rivier over tillen. Terwijl hij daarmee bezig was werd het kind echter zwaarder en zwaarder, totdat Reprobus bijna bezweek en tot zijn schouders in het water stond. Toen openbaarde het kind zich als Christus en doopte Reprobus in de rivier. Zijn doopnaam werd Christoffel, Christusdrager. Jezus liet Christoffels staf groen uitlopen en zond hem weg om het evangelie te prediken.’ Jan van Scorel heeft alleen een kale staf geschilderd.

En natuurlijk werd ook Christoffel uiteindelijk gemarteld en onthoofd. Elk verhaal over de heiligen en hun volhardendheid in het christendom is weer even merkwaardig en intrigerend. Zo ook over dit drietal.

Bronnen: Centraalmuseum.nlChrisdenengelsman.nlIKON.nl, Wikipedia.nl

_______________________________________________________________________

Dit paneel is een onderdeel van Het Lockhorstdrieluik De intocht van Christus in Jeruzalem en is met ander werk van Jan van Scorel te bewonderen in het Centraal Museum. Lees meer over Het Lockhorstdrieluik en Drie heiligen op het linker paneel en De intocht van Christus in Jeruzalem op het middenpaneel.

Van verbod tot gebod

De bijzondere ontwikkeling van de christelijke kunst

Petrus en Paulus, 4e eeuw

Petrus en Paulus, 4e eeuw

Van een verbod op enige beeltenis van God tot de beeldengroep Laocoön en zijn zoons en de rijk beschilderde Sixtijnse Kapel in het Vaticaan – hét centrum van het westerse christendom. Hoe hebben de christenen deze radicale ommezwaai gemaakt? En waarom? De ontwikkelingen zijn veelomvattend en regionaal te verschillend om de hele lading te dekken. Maar er valt wel een rode draad in de ontwikkeling van de christelijke kunst te ontdekken.

Hekel aan beelden
Jezus Christus en zijn volgelingen worden eerst als een Joodse sekte beschouwd. Maar rond 30-40 n.Chr. begint het christendom zich snel binnen het Romeinse rijk  te verspreiden. De christenen weigeren de beelden van de Romeinse keizers te aanbidden, verafgoden. Mede door hun weigering de keizers te eren, worden ze door de Romeinen vervolgd.

Bidden in de basilica
Onder het bewind van Constantijn de Grote (280-337) wordt de Romeinse houding ten opzichte van de christenen milder. Kennelijk denkt Constantijn: ‘if you can’t beat them, you’d bettter join them’. Mogelijk had hij zelf ook christelijke overtuigingen? In 324 laat hij de Oude Sint-Pietersbasiliek voor de christenen bouwen. Tot die tijd heeft de Romeinse basilica een algemene functie voor rechtspraak en handel.

In 1506 neemt paus Julius II het initiatief om op de plek van de inmiddels afgetakelde Oude Sint-Pieter de huidige Sint-Pietersbasiliek te bouwen. Een project dat meer dan een eeuw zal duren. Met als resultaat dé basiliek die vandaag de dag nog steeds het hart van de rooms-katholieke kerk vormt.

Boodschap in beeld
De christenen willen hun geloof graag verder verspreiden. Alleen hoe moet je de religieuze boodschap overbrengen aan mensen die niet kunnen lezen? Daarom gaan de christenen toch afbeeldingen gebruiken. Dit zijn hele sobere tweedimensionale beelden met een vaste hiërarchie van figuren. zonder decoratieve elementen die alleen maar van de boodschap kunnen afleiden.

Overigens is niet iedereen het eens met het gebruik van afbeeldingen. Tussen 726 en 824 lopen in het Byzantijnse Rijk de meningen nogal uiteen. De schilder, schrijver en docent kunstgeschiedenis Julian Bell beschrijft deze tendens in zijn boek Spiegel van de wereld (2008). De voorstanders – de zogeheten iconodulen – geloven dat de afbeeldingen van Jezus de ziel in de juiste richting kunnen wijzen. De iconoclasten (beeldenstormers) vinden juist dat bidden voor afbeeldingen afgodendienst is. Net als de eerste christenen.

Moeder Gods van Vladimir, 1131

Moeder Gods van Vladimir, 1131

Iconen in Byzantium
Hoe krijgt de kunst dan toch voet aan de grond? Uiteindelijk overwint het idee dat kunst een religieuze betekenis heeft. In Spiegel van de wereld beschrijft Bell de argumentatie hiervoor: “God, die de mens naar zijn beeld had geschapen en zelf vlees was geworden, garandeerde de rechtgeaardheid van afbeeldingen.”

Volgens Bell ondersteunden de kerkelijke legenden zoals die van Lucas dit standpunt. De heilige Lucas, schrijver van een der evangeliën, zou afbeeldingen hebben gemaakt van de maagd Maria en haar kind tijdens hun leven. 1130 jaar later bidden de schilders in Constantinopel voordat ze beginnen te schilderen. Zo hopen ze naar het voorbeeld van hun voorganger getrouwe beelden van de heilige te maken – de zogeheten iconen. Een mooi voorbeeld hiervan is De maagd van Vladimir, 1131. De gelovigen denken door dergelijke iconen te beschouwen dichter bij de genadige moeder God zelf te komen.

Leven in en met het geloof
Rond de 11e eeuw ontstaan de eerste kloosterordes die kloosters bouwen om zich in totale afzondering aan het geloof te wijden. De gebouwen in de Romaanse stijl zijn heel donker en massief met veel steen, rondbogen en weinig raam. Deze kerken versterken de angst en het nietige gevoel van de mensen. Mooie Nederlandse voorbeelden zijn de Sint-Servaasbasiliek en de Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw in Maastricht.

Reliekhouder, Limoges_ca 1200

Reliekhouder, Limoges, ca. 1200

Halverwege de 12e eeuw willen steeds meer gelovigen zelf de overblijfselen van heiligen zien. Wat doe je dan met de overblijfselen van de heiligen – de zogeheten relikwieën? Natuurlijk kun je die niet zomaar op een schaal leggen. Daarvoor worden reliekhouders gemaakt, soms in de vorm van de relikwie zelf zoals een vinger, schedel of ellepijp. Afhankelijk van de rijkdom van de opdrachtgever worden dit ware rijk gedecoreerde kunstwerken met de kostbaarste pigmenten als goud en azuurblauw.

Interieur kathedraal Santiago de Compostella

Interieur kathedraal Santiago de Compostella

Religieus toerisme
Een van de belangrijkste christelijke bedevaartsoorden is Santiago de Compostella, waar zich volgens de legende het graf van de apostel Jakobus bevindt. De mensen komen van heinde en verre en meestal te voet. Om de pelgrims tijdens hun lange en zware reis onderdak te bieden en het geloof te belijden, ontstaan de eerste pelgrimskerken. Waarom willen ze eigenlijk al deze ontberingen doorstaan? Meestal om te genezen of boete te doen voor hun zonden. Het enige levensdoel in de Middeleeuwen is een plekje in de hemel bemachtigen.

Met de opkomst van het religieuze toerisme stopt onze reis even. Graag neem ik jullie in de volgende blog verder mee.

_________________________________________________________________________

Ik heb deze blog geschreven als gastblogger op de website van Kunsthistorische Leergangen Utrecht.

Bronnen: Spiegel van de wereld, Julian Bell, 2008, Wikipedia.nl,
Cursus Inleiding kunstgeschiedenis, Hanneke Leenders – KLU  

Vallottons vrouwen

De terugkeer van de zee, Félix Vallotton, 1924

De terugkeer van de zee, Félix Vallotton, 1924

Waar kijkt die vrouw toch zo streng naar? Haar blik lijkt wel bevroren. Zou daar de naam van de tentoonstelling ook vandaan komen? Van haar ijzige blik? Haar koele blik in combinatie met de sensuele houding met ontblote schouder trekt in elk geval mijn aandacht. Je zou haar eerder in zo’n pose verwachten op een rode chaise-lounge met een witte poedel aan haar voeten. Niet aan een (keuken-)tafel met een geruit kleed en een boek in haar handen. Dan valt mijn blik op de titel: Terugkeer van de zee. Misschien is ze rozig na een stranddag verzonken in haar boek voordat ze ruw wordt gestoord? 

De naam Félix Vallotton kwam mij niet bekend voor, maar sinds de expositie Het vuur onder het ijs in het Van Gogh Museum heeft hij mijn volle aandacht. En dan vooral zijn geschilderde vrouwenportretten en interieurs. Zijn houtsneden spreken me wat minder aan. En ook zijn pogingen om landschappen te schilderen – want als pogingen zie ik het – vind ik minder geslaagd. Tenminste de landschappen die ik bij deze expositie zag. Op internet zie ik wel mooie landschappen van hem die ik graag live had willen zien. Maar goed, ze kunnen ook niet alles naar Nederland halen.

Vrouwen in alle soorten en maten
Als ik zo naar zijn vrouwenportretten kijk vraag ik me af wat hij nu eigenlijk van vrouwen vond. Hij beeldde ze niet altijd even florissant uit, soms zelfs boosaardig. Volgens de toelichting bij de expositie vond hij de emancipatie van vrouwen maar niets. Mmm, traditioneel ouderwets mannetje dus…. Toch zet hij ze niet alleen als heksen neer. Soms wel heel karikaturaal met hele rare platgeslagen haarbossen op hun hoofd die lijken op een vogelnestje of een uitgezakte steek van Napoleon. Een beetje stripachtig met hele scherpe lijnen en weinig nuances in de textuur van de huid. Misschien komt dat ook wel door zijn liefde voor de Japanse prentkunst?

Een leuke uitzondering op zijn wat vlak aandoende schilderstijl is een studie van een paar vrouwenbillen. Deze doet me door de kleursfeer denken aan L’orgine du monde (1866) van Gustave Courbet. Op de studie van Vallotton lijkt het wel of je de cellulitis ziet. Of komt dat misschien door mijn eigen obsessie voor de sinaasappelhuid?

Wachten, wachten en nog eens wachten

De vrouw met de papegaai, Félix Vallotton, 1909

De vrouw met de papegaai, Félix Vallotton, 1909

Een prachtig werk vind ik De vrouw met de papegaai (1909). Zoals ze daar zo kwetsbaar ligt met haar lichte huid op het witte laken, haar linker hand achter haar nek. Verveling of verleiding? Ik vind het moeilijk te duiden. Volgens de toelichting zou de papegaai de eenzaamheid van de courtisane moeten verlichten. Het is ook wat als je de hele dag op je bedje moet liggen mooi wezen en wachten tot er een behoeftige man met poen voorbij komt….

Dit schilderij is trouwens geschilderd naar het voorbeeld Olympia (1863) van Édouard Manet, maar hier vervangt de papegaai de zwarte kat.

Lekker poedelen

Het bad - zomeravond, Félix Vallotton, 1892

Het bad – zomeravond, Félix Vallotton, 1892

Meerdere van zijn badscènes vind ik heel grappig. Op het cartooneske schilderij Het bad, zomeravond, 1892, zie je allerlei vrouwen lekker poedelen. Het ziet eruit als een gezellige boel. De ene is wat kuiser dan de ander – sommigen dragen een soort witte badjurk. En ook de leeftijden lopen behoorlijk uiteen. Bij de vrouw op de voorgrond heeft de zwaartekracht al wat werk gedaan. Haar borsten wijzen al behoorlijk naar beneden en haar buik is ook niet zo strak meer. Bij de vrouw net achter de bosjes is echt alle elasticiteit eruit. Haar rimpelige billen hangen er sneu bij als uitgedroogd leer. Nu vind ik het wel aandoenlijk. Ik ben benieuwd of ik dat nog steeds zo vind als mijn eigen billen er zo bij hangen.

Iets te gezellig

Het Turkse bad, 1907, Félix Vallotton

Het Turkse bad, Félix Vallotton, 1907

Op Het Turkse bad, 1907 heeft de blonde vrouw vooraan haar arm om een tekkel geslagen. Wat doet een tekkel nu in een badhuis? Lekker onhygiënisch! Ik kom al jarenlang in de sauna en daar zijn toch echt geen huisdieren toegestaan. Behalve die stomme visjes die je voor heel veel Euro’s aan je tenen kan laten knabbelen. Brrrr! Zo te zien zijn de vrouwen trouwens allemaal gezellig met elkaar aan het keuvelen. Ik ben ook weleens in een Turks badhuis geweest en daar was het ook een herrie van jewelste met al die kakelende en schrobbende vrouwen. Doe mij maar de sauna, wel zo rustig.

Ook dit schilderij is geïnspireerd op ander werk – een schilderij met dezelfde naam uit 1862 van Jean Auguste Dominque Ingres. Als je het zo bekijkt was die Vallotton ook wel van het betere jatwerk. Daarin was hij trouwens niet de enige. Veel kunstenaars inspireerden en kopieerden elkaar. Juist als een eerbetoon. Ik zou wel willen dat mij die eer toekwam…

Bronnen: Van Gogh Museum, Wikipedia.org, Wikiart.org

Paard op zolder

Gezadeld paard, Hans Wimmer

Groot gezadeld paard, Hans Wimmer

Dit paard staat niet in de gang. En ook niet in de wei. Nee, dit paard staat op zolder. Of beter gezegd: op de patio op de zolder van het Centraal Museum. Met dit imposante paard is ook meteen de hele patio gevuld.

Zeker bij kinderen ontlokt het paard regelmatig de reactie: ‘kijk, een kameel!’ Misschien komt dat door de kop – of het hoofd – die langer en spitser lijkt dan normaal. Dat doet me denken aan vroeger toen ik klein was. Toen had ik een nogal ondefinieerbare knuffel van pluche en plastic met een klein pruilmondje waar z’n eigen duim in paste. Het was een soort kruising tussen een aap en een beer met een koebel om. De knuffel droeg de merknaam ‘Monchhichi’ en was eind jaren ’70 razend populair. De koebel had ik er zelf aan gebonden…

Maar nu weer terug naar het paard, want het is toch echt een paard. En niet zomaar een paard, maar een heus kunstwerk van de Duitse beeldhouwer en tekenaar Hans Wimmer (Pfarrkirchen, 19 maart 1907 – München, 31 augustus 1992). Het beeld Groot gezadeld paard is al sinds 1981 in bruikleen van het Centraal Museum.

Levensecht Tangpaard
Hans Wimmer had een grote bewondering voor de Chinese Tang-dynastie (618-908) waaronder de Tang-paarden. Volgens kunsthistoricus Heinz Spielmann was de kunstenaar met de ´zwakte voor paarden´ de ´beste paardbeeldhouwer van de eeuw´. Als je goed naar het paard kijkt, ziet het er inderdaad waarachtig levensecht uit op het kamelenhoofd na dan. Een museumbezoekster die veel van paarden wist, zag in dit beeld een angstig paard die klaar was om weg te rennen. Helaas zal dat niet gaan zonder glassplinters en botbreuken…

Bronnen: Oberhausmuseum.de, Wikipedia